Rozwiązujesz test z języka niderlandzkiego.
Pamiętaj! W każdym pytaniu tylko jedna odpowiedź jest prawidłowa.

1. Wat ………… je naam?


 is  
 zijn  
 bent  
 ben



2. Waar kom je …………?


  vandaar  
  van  
  vandaan  
  vanaf



3. - ………… gaat het met je? –Prima!


  Waar  
  Hoe  
  Wie  
  Wat



4. Wij ………… in Amsterdam


  wonen  
  huren  
  komen  
  gaan



5. Hij ………… een huis in Nederland.


  hebt  
  hebben  
  geeft  
  heeft



6. ………… maandag is het museum gesloten.


  in  
  op  
  om  
  af



7. ………… je graag?


  Leest  
  Leez  
  Lees 
  Les



8. Wij gaan vanavond ………… de bioscoop.


  naar  
  in  
  bij  
  tot



9. - ………… is het? – Het is kwart voor twee.


  Hoe lang 
  Hoe laat  
  Hoe snel 
  Hoe vaak



10. Wij hebben …………


  geld geen 
  geen geld 
  niet geld 
  geld niet



11. Zullen we vanavond samen …………?


  om eten  
  te eten
  om te eten
  eten



12. ………… in een kopje koffie?


  Heb je geld 
  Heb je zon 
  Heb je zin 
  Heb je tijd



13. Ik sta om 7 uur …………


  aan  
  uit 
  om
  op



14. Sorry, wat ………… dit woord?


  begrijpt 
  bedoelt 
  betekent
  bespreekt



15. Na het werk doe ik meestal …………


  de winkels 
  winkelen
  boodschappen
  boodschap



16. Ik koop drie bananen, vier peren en zes …………?


  kiwi  
  kiwis
  kiwi’s
  kiwiën



17. Ik ………… morgen een museum bezoeken.


  heb 
  ga 
  doe 
  zie



18. Waar gaat u …………?


  tot  
  toe 
  naartoe
  naar



19. Mijn zus is ouder ………… ik.


  als
  net
  dan
  even zo



20. In mijn vrije tijd ………… ik graag naar muziek.


  hoor 
  luister
  kijk
  ga



21. Ik wacht ………… mijn zus.


  op  
  om
  uit
  in



22. Is dit boek interessant? Nee, het is …………


  lang 
  saai 
  kort 
  langzaam



23. Zij wil slanker worden ………… zij eet geen snoepjes.


  maar  
  of
  omdat
  dus



24. Wij hebben een mooi huis in Amsterdam. ………… huis is heel groot!


  Ons
  Onze
  Zijn
  Wij



25. Wij doen graag …………


  sport
  met sport
  aan sport
  uit sport



26. Pardon, mevrouw, ik ben ………… het museum.


  op zoek naar 
  op zoek
  opzoeken
  zoeken naar



27. De vrouw van je zoon is je …………


  schoondochter 
  vrouw 
  schoonzus 
  zwager



28. Ik ga naar de cursus omdat …………


  ik wil goed Nederlands spreken. 
  ik spreken goed Nederlands wil.
  wil ik goed Nederlands spreken.
  ik goed Nederlands wil spreken.



29. Spruitjes zijn niet lekker. Ze zijn echt …………


  vies
  vis
  vers
  ver



30. Wij gaan naar het Stripmuseum want wij ………… strips leuk.


  denken
  denken dat
  vinden
  vinden dat



31. Ik wil graag die jurken even passen. Waar is de …………?


  paskamer
  kamer
  badkamer
  slaapkamer



32. Ik bel mijn vriend op. Ik wil ………… iets vragen.


  hem 
  hij
  haar
  zij



33. Anna moet een presentatie houden voor 100 mensen. Zij is …………


  mooi 
  zenuwachtig
  lief
  stil



34. - Ik ben vandaag jarig. - …………!


  Gecondoleerd!
  Beterschap!
  Gefeliciteerd!
  Wat jammer!



35. - Woon je al lang in Amsterdam? – Ja, ik woon ………… al vier jaar.


  waar
  er
  in
  naar



36. Ik draag een blouse …………


  met hoge haken
  aan mijn voeten
  op mijn hoofd
  met lange mouwen



37. Wij geven een feest - jij bent ook …………!


  uitgeput
  uitgenodigd
  uitgedaan
  uitgerust



38. Ik heb buikpijn. Ik moet ………… met mijn huisarts maken.


  een gesprek 
  een bespreking
  een afspraak
  spreekuur



39. Ik voel me helemaal niet lekker. Ik heb last van hoofdpijn en …………!


  koor
  kort
  koorts
  koren



40. De krant ………… op tafel.


  legt
  ligt
  liegt
  leegt



41. Gisteren …………


  zijn we naar de bioscoop gegaan.
  we naar de bioscoop gingen.
  hebben we naar de bioscoop gegaan.
  zijn we naar de bioscoop gaan.



42. Mijn ouders hebben een nieuwe auto …………


  gekookt
  gekocht
  kopen
  verkopen



43. Drie maanden ………… ben ik in Nederland geweest.


  vorig 
  volgend
  verleden
  geleden



44. Mijn rijbewijs is gestolen en ik wil een nieuw rijbewijs …………


  aanvragen
  aannemen
  aanvaarden
  aangeven



45. Deze kamer is al gemeubileerd dus je …………


  moet meubels kopen
  hebt meubels nodig
  hebt behoefte aan meubels
  hoeft geen meubels te kopen



46. ………… ik klein was, woonde ik in Utrecht.


  Als
  Toen
  Waar
  Dan



47. Ik ben ………… voor mijn examen. Ik ben heel blij!


  geslaagd
  geslagen
  gezakt
  gedaan



48. ………… niet uit te checken met je OV-Chipkaart!


  Vergeef 
  Vergeet
  Vergis
  Verklaar



49. - Ik heb last van stres, ik werk te veel en ik heb het altijd druk. – Probeer eens wat meer …………


  te ontbijten.
  te ontspannen.
  te ontkennen.
  te ontcijferen.



50. Kunt u mijn boodschap aan mevrouw Bakker …………?


  opgeven
  opbellen
  doorlopen
  doorgeven



Zakończ test
Ta strona używa Cookies. Dowiedz się więcej o celu ich używania - przeczytaj naszą politykę prywatności. Korzystając ze strony wyrażasz zgodę na używanie cookie, zgodnie z aktualnymi ustawieniami przeglądarki.
Rozumiem